Tax

Beleggen in DBI-beveks anno 2026 met uw vennootschap: bent u beter af met gewone aandelen?

By 1 juni 2026No Comments

Beleggen in DBI-beveks anno 2026 met uw vennootschap: bent u beter af met gewone aandelen?

In ons eerdere artikel “Beleggen met uw vennootschap: wat zijn de mogelijkheden?- Warfid?” lichtten we u de verschillende beleggingsvormen voor uw vennootschap toe, inclusief de fiscale behandeling van
DBI-beveks en rechtstreekse aandelenbeleggingen.
Sindsdien is het fiscale kader van DBI-beveks op een aantal punten aangepast. Hieronder focussen we op die nieuwe regels en wat ze concreet betekenen in vergelijking met een rechtstreekse belegging in
gewone aandelen en beveks.

Beleggen in individuele aandelen
Vanaf aanslagjaar 2016 zijn de ontvangen dividenden van en gerealiseerde meerwaarden op aandelen vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien de volgende drie voorwaarden (ook wel DBI-voorwaarden
genoemd) cumulatief voldaan zijn:

 Taxatievoorwaarde: dividenden en meerwaarden moeten hun oorsprong vinden in vennootschappen die onderworpen zijn aan een “normaal” belastingregime.
 Permanentievoorwaarde: uw vennootschap moet de aandelen gedurende minstens 1 jaar ononderbroken aanhouden of hebben aangehouden.
 Participatievoorwaarde: de ontvangende vennootschap dient minstens een deelname van 10% te hebben in het kapitaal van de uitkerende vennootschap of een aanschaffingswaarde van minstens € 2,5 miljoen. Voor grote vennootschappen geldt sinds aanslagjaar 2026 een bijkomende voorwaarde, maar die valt buiten de scope van dit artikel.

Is het interessanter om te beleggen in een DBI-bevek dan rechtstreeks in aandelen of een “gewone” bevek?

Een DBI-bevek is een beleggingsvennootschap die aan specifieke fiscale voorwaarden voldoet.
Het grote verschil met rechtstreekse aandelenbeleggingen is dat u hier niet moet voldoen aan de participatievoorwaarde van 10 procent of een aanschaffingswaarde van € 2,5 miljoen. Ook de permanentievoorwaarde van 1 jaar is niet van toepassing.

De toegang tot de fiscale vrijstelling ligt daardoor een flink stuk lager, waardoor u er in de praktijk veel sneller van kan genieten.

Die vrijstelling geldt echter niet automatisch voor het volledige rendement. Enkel het gedeelte van de opbrengsten dat effectief voldoet aan de DBI-voorwaarden komt in
aanmerking. De aandeelhouder ontvangt daarvoor in de praktijk een attest van de bank- of beursvennootschap, waarin het vrijgestelde percentage wordt bevestigd.
In de praktijk bedraagt de vrijstelling daardoor meestal tussen de 95% en 100%.

Voor vennootschappen die willen beleggen op een fiscaal gunstige manier zonder een substantiële participatie op te bouwen, biedt de DBI-bevek daardoor een duidelijk fiscaal voordeel.

In vergelijking met rechtstreekse aandelenbeleggingen is de vrijstelling immers vaak moeilijk toepasbaar, aangezien de participatievoorwaarde (van € 2,5 miljoen) of de 10% van het kapitaal zelden wordt gehaald.

Ook ten opzichte van een gewone bevek is het verschil aanzienlijk, aangezien daar geen gelijkaardige vrijstelling geldt en het dividend en (hopelijk) latere meerwaarde
volledig aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen.

Het type belegging bepaalt mee uw belastingsdruk.

Zoals toegelicht in ons vorig artikel speelt naast de fiscale behandeling van het dividend nog een tweede element in de praktijk, namelijk het behoud van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting.

Om daarvoor in aanmerking te blijven komen, mag het totaal van de belegging in aandelen een bepaalde grens niet overschrijden.

Hier bestaat een belangrijk onderscheid tussen verschillende beleggingsvormen. Een bevek wordt fiscaal beschouwd als een aandeel, ongeacht de samenstelling van de onderliggende portefeuille. De volledige waarde telt dus mee voor de zogenaamde 50 %-grens.

 

Wat betekent dit alles in de praktijk?

DBI-beveks blijven een interessant instrument voor vennootschappen die gespreid willen beleggen zonder grote participaties op te bouwen, en die tegelijk voldoen aan de voorwaarden inzake vereiste minimumbezoldiging voor minstens één van haar bedrijfsleiders. Rechtstreekse aandelen behouden hun plaats voor wie effectief strategische participaties aanhoudt en aan de strengere DBI-voorwaarden kan voldoen.

En voor wie eenvoud en flexibiliteit verkiest, blijft een klassieke belegging zonder DBI-aftrek een valabel alternatief, zeker wanneer de verrekening van roerende voorheffing doorweegt.

De conclusie is dan ook minder eenduidig dan vroeger.

De keuze hangt vandaag sterker af van de concrete situatie van uw vennootschap: de hoogte van de bezoldiging, de omvang van de beleggingen, de wens om het verlaagd tarief te behouden en de mate waarin u bereid bent aan bepaalde fiscale voorwaarden te voldoen.

Wie zijn beleggingsstrategie wil afstemmen op deze nieuwe realiteit, doet er goed aan die elementen samen te bekijken.

 

Cijfervoorbeeld

Uw vennootschap ontvangt een brutodividend van € 100,00.

Deze vennootschap voldoet NIET aan de minimumbezoldiging.

Bij de belegging in een individueel aandeel of een DBI-bevek waar u geen vrijstelling kiest, heeft u door de recuperatie van de roerende voorheffing enkel de vennootschapsbelasting te betalen. Hier rekenen we met het standaardtarief van 25%.

Indien u toch kiest om de DBI- vrijstelling toe te passen, zal de roerende voorheffing (30%) de eindbelasting zijn. Dat komt u minder voordelig uit.

Wanneer u wel een minimumbezoldiging toekent, dan levert een DBI-bevek u 100% van het dividend op.

Is er bij “verkoop” een heffing van 5% van toepassing?

De fondsbeheerder koopt de deelbewijzen van de DBI-bevek in de praktijk vaak zelf in. Fiscaal wordt dit beschouwd als een ontvangen dividend. Dat dividend kan, mits naleving van de wettelijke voorwaarden, voor het in het attest vermelde gedeelte in aanmerking komen voor de DBI-aftrek.

Verkoopt u de deelbewijzen daarentegen toch aan een derde partij, dan is sinds aanslagjaar 2026 een afzonderlijke heffing van 5% verschuldigd op de gerealiseerde meerwaarde.

Deze heffing geldt
 slechts in de mate dat de dividendenin het verleden effectief de DBI-aftrek hebben genoten;
 en dan enkel voor het gedeelte dat aan de DBI-voorwaarden voldoet, wat in de praktijk vaak een aanzienlijk deel van het resultaat vertegenwoordigt.
Waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen zijn daarentegen nooit aftrekbaar.

 

Zo haalt u vandaag het meeste uit uw geld indien u in beveks wenst te beleggen via uw vennootschap

Kiest u voor een hogere bezoldiging, dan kan u de roerende voorheffing op DBI-dividenden verrekenen en de vrijstelling maximaal benutten, met een lagere effectieve vennootschapsbelasting als gevolg.

Of blijkt een lagere bezoldiging en dus minder druk in de personenbelasting en sociale bijdragen in uw persoonlijke situatie toch
voordeliger?

Wij analyseren dit graag samen met u en begeleiden u met gericht fiscaal advies bij uw beleggingen en de optimalisatie van uw
vennootschap(pen).

Auteur: Gerrit Borremans (25 februari 2026)