…gaat de fiscale klok. U heeft er wellicht al over gelezen (o.a. in deze nieuwsbrief) en u zal er ongetwijfeld nog veel over lezen: het VVPRbis-regime, dat aandeelhouders van kleine vennootschappen onder voorwaarden een verlaagd tarief roerende voorheffing toekent bij dividenduitkeringen, zal (heel) binnenkort worden aangepast.
Eigenlijk had de wetgever het voornemen deze nieuwe regeling in te voeren met ingang van 1 januari 2026, maar aangezien zij daar niet in geslaagd is (en aangezien de roerende voorheffing niet retroactief kan worden ingehouden), zullen de nieuwe regels van kracht gaan zodra erover gestemd is ergens in de loop van de eerste helft van dit jaar. Als we de laatste geruchten mogen geloven zou de inwerkingtreding mogelijks worden voorzien op 1 april (geen grap!). Concreet zou het verlaagde tarief van 15% met drie procentpunten omhooggaan om het op een 18% te brengen. Waar er in fiscale kringen gehoopt werd dat die belastingverhoging maar zou gelden voor inbrengen vanaf 2026, blijkt dit helaas niet het geval, nu die stijging ook toepasselijk zal zijn op winsten die in het verleden werden opgebouwd.
Snel uitkeren dus? Idealiter wel. Uiteraard steeds geval per geval te beoordelen, maar indien vandaag reeds aan de wachttermijn van drie boekjaren is voldaan, kan het aangewezen zijn om voor de inwerkingtreding van de wet nog snel de dividenden uit te keren. Dat die wet later in werking treedt dan voorzien heeft overigens als leuk neveneffect dat voor sommige vennootschappen intussen de wachttermijn ook zal verstreken zijn en dat m.a.w. ook deze vennootschappen nog (kort) kunnen genieten van het tarief van 15%. Naast een dividend op de gewone algemene vergadering zou er ook een tussentijds dividend kunnen worden uitgekeerd (waartoe wordt beslist door een zgn. bijzondere algemene vergadering en die wordt uitgekeerd uit gereserveerde winst van vorige boekjaren) of, een interimdividend (waartoe wordt beslist door een bijzondere algemene vergadering of, indien de statuten dit voorzien, door het bestuursorgaan uit de winst van het lopende boekjaar en eventueel die van het voorgaande boekjaar, zolang die jaarrekening nog niet werd goedgekeurd).
In NV’s en BV’s zal men wel rekening moeten houden met de uitkeringstesten: dit zijn testen die nagaan of de vennootschap na een dividenduitkering nog genoeg vermogen heeft (de zgn. netto-actieftest) en, voor BV’s, voldoende liquide blijft om haar kortlopende schulden te kunnen betalen (de zgn. liquiditeitstest). Goed om te weten is dat de vennootschap overigens niet noodzakelijk de volledige reserve ook in cash moet zitten hebben om deze uit te betalen, zolang er maar voldoende is om er de roerende voorheffing mee te betalen. Het niet-uitbetaalde deel blijft dan als schuld van de vennootschap aan de aandeelhouder staan en wordt dan vervolgens afgelost van zodra het geld binnenkomt.
Uw dossierbeheerder bij WARFID heeft dit normaal bekeken, of is dat aan het doen, maar steek gerust eens uw licht bij ons op, het kan steeds gebeuren dat u specifieke argumenten heeft om het wel of niet te doen en die u dossierbeheerder (nog) niet kent…!
Auteur: Kenneth Van Acker (9 januari 2026)
