Tax

Meerwaarde op aandelen belast aan 33%?!

By 26 januari 2026No Comments

Meerwaarde op aandelen belast aan 33%?!

U zal ongetwijfeld al vernomen hebben dat er met ingang van 1 januari 2026 (retroactief) een meerwaardebelasting van 10% zal worden ingevoerd op de overdracht van aandelen. Nu die 10% meerwaardebelasting het spotlight gestolen heeft, zou men bijna uit het oog verliezen dat in de krochten van datzelfde wetsontwerp ook een tweede, minstens even ingrijpende meerwaardebelasting staat geschreven, aan een tarief van niet 10% maar – hou u vast – 33% (!)

Die tweede meerwaardebelasting wordt door de wetgever verkocht als een loutere codificatie van wat in de praktijk al van toepassing is op zogeheten “interne meerwaarden”. Wat houdt een “interne meerwaarde” precies in? Dividenden zijn nogal kostelijk: als u de malchance heeft geen beroep te kunnen doen op VVPRbis of liquidatiereserves, dan wordt dat op vandaag immers belast aan 30% roerende voorheffing. Meerwaarden op aandelen daarentegen waren (tot voor kort dus) vrijgesteld van belasting. Als belastingplichtige zou u er dus toe verleid kunnen worden om die dividenden op de één of andere manier om te zetten in een meerwaarde op aandelen. De truc met de duif: geen (kostelijke) dividenden uitkeren, maar de aandelen van uw (werk)vennootschap verkopen aan een eigen (holding)vennootschap. Om aan het nodige geld te geraken om de verkoopprijs van de aandelen aan u te betalen, kon de holding vervolgens de reserves uit de werkvennootschap halen via een (super)dividend. Dat dividend werd dankzij de zgn. DBI bij de holdingvennootschap niet belast, en er moest ook geen roerende voorheffing op ingehouden worden. De holding stort dat bedrag vervolgens aan u door, en – tadaa! – ook u werd er niet op belast aangezien meerwaarden op aandelen niet belast werden.

We hoeven u uiteraard niet uit te leggen dat de fiscus hier geen fan van is, nu die de roerende voorheffing door de neus geboord ziet worden. Een dergelijk verkoop werd door de fiscus dan ook aangevallen als zijnde “abnormaal”, aangezien enkel meerwaarden op aandelen die onder het “normaal beheer” van uw privévermogen vallen, belastingvrij waren. Een dergelijke “abnormale” verkoop (“Wie verkoopt nu aan zichzelf??”) is een divers inkomen en belastbaar aan 33%. De fiscus kon daarnaast ook de zogenaamde algemene antimisbruikbepaling inroepen, nu u de belastingvrije meerwaarde in feite gebruikt als alternatief voor een belastbare dividenduitkering. Als u er geen andere uitleg voor had dan dat dat fiscaal aantrekkelijker was, dan kon de fiscus dat herkwalificeren als een dividend, belastbaar aan 30%. Aan de andere kant: de fiscus kon u dan ook alleen maar belasten indien de meerwaarde “abnormaal” was, of indien er voor de realisatie van de interne meerwaarden enkel fiscale motieven waren. Waren er ook economische of familiale motieven, dan kon men die dans ontspringen. En dat laatste dreigt dus met die nieuwe wettekst op de helling te staan. De nieuwe bepalingen zijn immers ruim geformuleerd en viseren geenszins enkel “abnormale” of “misbruikgerichte” structuren. Integendeel, zij raken ook aan legitieme structuren die tot op vandaag door de administratieve praktijk worden aanvaard.

Uit de nieuwe tekst volgt immers dat de meerwaarde die wordt gerealiseerd bij een verkoop van aandelen aan een vennootschap waarover de overdrager alleen of samen met zijn echtgenoot, zijn afstammelingen, zijn ascendenten, zijn zijverwanten tot de tweede graad of die van zijn echtgenoot, rechtstreeks of onrechtstreeks, “controle” uitoefent, onderworpen wordt aan een belasting van 33%. Door de verwijzing naar het vennootschapsrechtelijke begrip “controle” wordt het toepassingsgebied van “interne meerwaarden” uitgebreid naar alle mogelijke verkopen aan een vennootschap waarin de overdrager de bevoegdheid behoudt om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van het bestuur, of op de oriëntatie van het beleid binnen de vennootschap. Dit is dus niet noodzakelijk afhankelijk van het aantal aandelen of het aantal stemmen waarover die beschikt. Iemand kan vennootschapsrechtelijk immers worden beschouwd als één van de controlerende personen omdat hij bijvoorbeeld volgens de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst de meerderheid van de bestuurders kan benoemen, of zelfs wanneer hij met de andere aandeelhouders zou zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid gezamenlijk dienen te worden genomen (dan is er sprake van gezamenlijke controle).

Stel bijvoorbeeld een oprichter van een vennootschap die geleidelijk aan zijn aandelen aan enkele managers wenst over te dragen. Gezien die managers onvoldoende middelen hebben, beslist men een gemeenschappelijke holding op te richten die de aankoop van de aandelen met schuld financiert. Zo geeft men aan de managers financieel de kans om een lening aan te gaan met als onderpand de aandelen van de onderliggende vennootschap. In die nieuwe holding stapt ook de oprichter mee in om zijn kennis en ervaring verder ter beschikking te blijven stellen en krijgt die een vetorecht bij o.a. de verkoop aan een andere onderneming. Een perfect legitieme economische constructie die met de nieuwe wetgeving zwaar getaxeerd dreigt te worden.

De gevolgen van de nieuwe wettekst kunnen dus potentieel heel verregaand zijn. Dat er sprake zou zijn van een loutere codificatie van de bestaande praktijk is dus geenszins het geval. Gezien het wetsontwerp evenwel nog voorwerp van bespreking uitmaakt, valt te hopen die scherpe kantjes er nog van worden afgehaald, zo niet dreigen perfect legitieme constructies bij de overdracht of doorgroei van ondernemingen immers excessief getaxeerd worden…

Wordt vervolgd dus…

Auteur: Kenneth Van Acker (21 januari 2026)