Tax

Een foutje bij de invoering van het “recht op een fout”…

By 10 augustus 2026No Comments

Een foutje bij de invoering van het “recht op een fout”…

We schreven er al over in onze nieuwsbrief van december 2025 (https://www.warfid.be/tax/de-saga-van-de-belastingverhoging-van-10/). Wie in de personen- of vennootschapsbelasting een fout maakt in zijn aangifte, of deze niet tijdig indient, kan worden geconfronteerd met een belastingverhoging die varieert van 10% tot 200% van de belasting die verschuldigd is op de niet- of laattijdig aangegeven inkomsten. Bij een eerste overtreding zonder de bedoeling om belasting te ontwijken, bedroeg die belastingverhoging in principe 10%.

De vroegere wet bepaalde wel dat bij ontstentenis van kwade trouw van die belastingverhoging “kan” worden afgezien. En zoals we in onze eerdere bijdrage al meegaven, bleek dat woordje “kan” nogal belangrijk. De administratie las daarin immers vooral dat zij van de verhoging kon afzien, maar daartoe niet verplicht was. Het resultaat? Ook bij een eerste overtreding te goeder trouw werd de belastingverhoging van 10% in de praktijk (quasi) altijd automatisch opgelegd. Met de programmawet van 18 juli 2025 wilde de wetgever daar eindelijk komaf mee maken. Artikel 444 WIB 1992 bepaalt sindsdien dat van de belastingverhoging “wordt afgezien” (en niet langer “kan worden afgezien”) bij een eerste overtreding die te goeder trouw werd begaan. Bovendien voerde de wetgever een (weerlegbaar) vermoeden van goede trouw in.  Een  belastingplichtige die een eerste overtreding begaat, wordt bijgevolg vermoed te goeder trouw te zijn.

Wil de fiscus alsnog een belastingverhoging opleggen, dan komt het in principe aan de fiscus toe om aan te tonen dat van goede trouw geen sprake was (let wel: wanneer de administratie overgaat tot een aanslag van ambtswege, geldt dat wettelijke vermoeden niet).

De nieuwe regeling werd echter alleen van toepassing verklaard op aanslagen die vanaf de bekendmaking van de programmawet in het Belgisch Staatsblad, zijnde vanaf 29 juli 2025, werden ingekohierd. Met andere woorden: twee belastingplichtigen die exact dezelfde eerste fout te goeder trouw hadden begaan, konden verschillend worden behandeld louter en alleen omdat de aanslag van de ene op 28 juli 2025 en die van de andere op 29 juli 2025 werd ingekohierd. De eerste kon nog steeds een belastingverhoging van 10% opgelegd krijgen, terwijl daar bij de tweede verplicht van moest worden afgezien. Zelfs wanneer tegen de eerste aanslag nog een bezwaar- of gerechtelijke procedure liep en die belastingverhoging dus helemaal nog niet definitief was. U voelt wellicht al aankomen wat daar het probleem mee was…

In het strafrecht geldt het beginsel van de lex mitior, wat zoveel betekent als de retroactieve werking (lees: terugwerkende kracht) van de mildere strafwet. Wanneer de wetgever beslist dat een bepaalde overtreding voortaan milder moet worden bestraft, moet die mildere regeling in principe ook worden toegepast op oudere dossiers waarin nog geen definitieve beslissing werd genomen. In zijn arrest nr. 76/2026 van 18 juni 2026 bevestigt nu ook het Grondwettelijk Hof dat dit principe ook van toepassing is op de belastingverhoging van 10%. Het Hof stelt eerst vast dat de belastingverhoging een sanctie van strafrechtelijke aard is. Vervolgens stelt het vast dat de programmawet de positie van de belastingplichtige daadwerkelijk op twee vlakken heeft gemilderd: de administratie is voortaan verplicht om bij een eerste overtreding te goeder trouw van de belastingverhoging af te zien én de goede trouw van de belastingplichtige wordt in principe vermoed. Dat is volgens het Hof wel degelijk een mildere strafwet. En dus kan de wetgever de toepassing daarvan niet zomaar beperken tot aanslagen die vanaf 29 juli 2025 werden ingekohierd. Een belastingplichtige met een lopend bezwaar of een hangende gerechtelijke procedure kan zich dus niet langer de nieuwe regeling ontzegd zien om de enkele reden dat zijn aanslag vóór 29 juli 2025 werd ingekohierd.

Is er nog een bezwaar hangende of loopt er nog een procedure voor de rechtbank of het hof van beroep, dan kan de ontheffing of vernietiging van de belastingverhoging op grond van het nieuwe artikel 444 WIB worden gevraagd. En aangezien de goede trouw in principe wordt vermoed, zal het aan de fiscus zijn om dat vermoeden met concrete elementen te weerleggen. Daarnaast opent de vernietiging door het Grondwettelijk Hof in principe een nieuwe termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad, om alsnog de nodige rechtsmiddelen in te stellen tegen aanslagen die op de vernietigde overgangsregeling zijn gesteund. Naar alle waarschijnlijkheid kan deze nieuwe termijn alleen worden ingeroepen voor aanslagen die op 29 juli 2025, zijnde het ogenblik waarop de mildere regeling in werking trad, nog niet definitief waren.

De financiële impact kan overigens aanzienlijk verder reiken dan de belastingverhoging van 10% zelf. Werd aan die belastingverhoging ook het verbod op de aftrek van fiscale verliezen of andere aftrekposten gekoppeld, dan zal bij de ontheffing of vernietiging van de belastingverhoging in principe ook dat aftrekverbod komen te vervallen.

De fiscus mag zich door dit “foutje” van de wetgever in de komende maanden wellicht dus aan een zondvloed aan bezwaarschriften en gerechtelijke procedures voor het verleden verwachten…

Haar reputatie als slechte verliezer eer aandoend, heeft de fiscus echter al een lijst opgesteld van “fouten die geen goede trouw kunnen zijn”. Alles wat bijvoorbeeld het “afwentelen is van privé uitgaven op de vennootschap” wordt door controleurs d’office gezien als kwade trouw en daarom wordt de 10% lekker wel opgelegd …

Auteur: Kenneth Van Acker (4 augustus 2026)