Bovenmatige voordelen van alle aard
“Elk voordeel heb z’n nadeel” – J. Cruijff
Een bedrijfswagen, een woning, gratis elektriciteit of een voordelige lening: voordelen van alle aard maken al jarenlang deel uit van het loonpakket van werknemers en bedrijfsleiders in de Belgische fiscaliteit. De wetgever bekeek het systeem en vond blijkbaar dat het woord “voordeel” stilaan wat te sympathiek werd geïnterpreteerd.
Twintig procent voordeel, daarna vooral nadeel
Vanaf aanslagjaar 2027 mogen de forfaitair gewaardeerde voordelen van alle aard in principe niet meer bedragen dan 20% van de totale belastbare bezoldiging. Twintig procent, dus niet “ongeveer een vijfde”, noch “dat zien we wel bij de jaarafsluiting” en helaas ook niet “onze accountant zal dat wel rechttrekken”.
De beperking viseert alleen voordelen die fiscaal forfaitair worden gewaardeerd. Denk bv. onder meer aan: het privégebruik van een bedrijfswagen, de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning, voordelen inzake computer, internet en telefonie.
Voordelen die tegen hun werkelijke waarde worden gewaardeerd (en uiteraard ook belast), zoals persoonlijke sociale bijdragen die door de vennootschap worden betaald, komen niet in de teller terecht, maar tellen wel mee voor de berekening van de totale belastbare bezoldiging in de noemer.
Forfaitair gewaardeerde voordelen ÷ totale belastbare bezoldiging ≤ 20%
De toets gebeurt globaal op het niveau van de onderneming, maar afzonderlijk voor de categorie werknemers en de categorie bedrijfsleiders. Bij een managementvennootschap met één bedrijfsleider is dat bijzonder overzichtelijk: “U bent tegelijk de teller, de noemer en, wanneer de grens wordt overschreden, ook meteen het volledige probleem.”
Een kleine overschrijding, een grote rekening
De overschrijding voor de categorie werknemers leidt tot een afzonderlijke aanslag van 7,5% op het bovenmatige gedeelte. Die aanslag is ten laste van de werkgever en is (surprise surprise) niet aftrekbaar. Voor de categorie bedrijfsleiders kan dit een mogelijk zwaardere sanctie met zich meebrengen. Een kleine vennootschap die de grens overschrijdt, verliest het verlaagde tarief van 20% op de eerste € 100.000,00 belastbare winst.
“Een overschrijding met een bedrag waarvoor u nauwelijks nog een koffie krijgt, volstaat voortaan om € 5.000,00 extra vennootschapsbelasting te moeten betalen”.
Voor bedrijfsleiders volstaat het voortaan dus niet meer om enkel na te gaan of de vereiste minimumbezoldiging werd toegekend (€ 50.000,00 vanaf inkomstenjaar 2026 – jaarlijks indexeerbaar). Ook de samenstelling van het loonpakket wordt bepalend.
Wie pas bij het opmaken van de belastingaangifte vaststelt dat de grens werd overschreden, zal merken dat fiscale tijdmachines nog steeds niet bestaan. En mochten ze ooit worden uitgevonden, dan worden ze vermoedelijk eveneens forfaitair gewaardeerd. De belastbare bezoldiging alsnog verhogen kan nog een uitweg bieden, maar die oplossing is zelden goedkoop: ze brengt bijkomende bedrijfsvoorheffing en sociale bijdragen met zich mee om nog maar te zwijgen over de hoge belastingdruk in de personenbelasting.
Auteur: Lander Moreels (28 juli 2026)