Accountancy

De financieringswaarde als toetssteen of de gevraagde overnameprijs voor een onderneming niet te hoog is

By 3 april 2026No Comments

De financieringswaarde als toetssteen of de gevraagde overnameprijs voor een onderneming niet te hoog is

In de praktijk stellen we vaak vast dat de naar voor geschoven prijs tijdens het onderhandelingsproces bij de overname van een onderneming meestal een spanningsveld vormt tussen wat de verkoper vraagt en wat de koper uiteindelijk kan én wenst te betalen/financieren. Als koper wenst u uiteraard een realistische prijs te betalen en vooral ’s nachts er niet wakker van te liggen dat u het overnamekrediet aan de bank wel zonder kleerscheuren zal kunnen aflossen. 

Vaak wordt er bij overnames gegoocheld met allerlei waarderingsformules op basis van EBIT(DA), DCF (Discounted Cash Flow to Entreprise en/of Discounted Cash Flow to Equity, Gecorrigeerde substantiële waarde, EVA (Economic Value Added), …) om toch maar met handen en voeten uit te leggen dat de gevraagde prijs de onderliggende waarde volledig weerspiegelt.  Aangezien de waardering van een onderneming een subjectief gegeven is, is de zogenaamde “juiste waarde” echter een rekbaar begrip.

Is de vraagprijs wel financieel haalbaar?

Voor u als overnemer is daarbij vooral één vraag doorslaggevend: kan u op basis van de onderneming haar toekomstige vrije kasstromen de overnameprijs binnen een redelijke termijn terugbetalen, zonder dat daarbij de operationele werking in het gedrang komt? 

In de praktijk wordt de gevraagde overnameprijs daarom afgetoetst aan de zogenaamde “financieringswaarde”. Dit is een benadering die vertrekt vanuit de toekomstig te verwachten beschikbare netto kasstromen waarbij wordt getoetst hoeveel (overname)schuld u als koper realistisch kan dragen. 

Een vuistregel daarbij is dat de overnameprijs doorgaans binnen 5 à 7 jaar uit de vrije kasstromen moet kunnen worden terugbetaald. Dit is ook de termijn die banken en kredietverstrekkers meestal hanteren indien zij naar de terugbetalingscapaciteit kijken. Een langere aflossingstermijn kan in bepaalde situaties verantwoord worden door het
feit dat de onderneming over een bepaald concurrentievoordeel beschikt,
zoals een sterk merk, schaalvoordelen, octrooien,… 
Maar eerlijk gezegd, dergelijke ondernemingen zijn in de praktijk zeer dun gezaaid …

De financieringswaarde als toetssteen

Het bepalen van de zogenaamde financieringswaarde is dus geen echte waarderingsmethode maar het antwoord op de vraag hoeveel u maximaal kan betalen, rekening houdend met de eigen inbreng aan kapitaal en een investeringskrediet op een 5 à 7-tal jaren. In de berekening wordt rekening gehouden met hoeveel aan cashflow de onderneming jaarlijks overhoudt nadat alle noodzakelijke uitgaven, (vervangings)investeringen en financiële verplichtingen zijn ingelost. Ook de behoefte aan werkkapitaal mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Zeker bij een groei-onderneming is dit een cruciale factor die niet uit het oog mag worden verloren. 

Voorbeeld

Camillia heeft al een tijdje haar oog laten vallen op een onderneming in de bouwsector. De enige aandeelhouder bereikt stilaan de pensioengerechtigde leeftijd en vindt het stilaan tijd om zijn noeste arbeid van de voorbije jaren om te zetten in euro’s. De verkoper stelt een initiële koopprijs voor van € 2.000.000,00. Deze vraagprijs wordt ook gestaafd door een waardebepaling op basis van verschillende waarderingsmethodes.

Camillia maakt op basis van de verkregen interne jaarcijfers van de voorbije boekjaren een budget op voor de komende jaren om te kunnen aftoetsen of de overnameprijs financieel haalbaar is. Zij maakt daarbij onderstaande berekeningen met de hulp van haar accountant.

De overtollige cash ten bedrage van € 300.000,00 kan worden uitgekeerd als een netto gedecreteerd superdividend waarmee dan een deel van de overnameprijs kan worden betaald. We gaan ervan uit dat de vereiste eigen inbreng – na uitkering van het superdividend –zo’n 25% bedraagt van de financieringswaarde, wat in de praktijk zowat de vuistregel is die banken hanteren.

Op basis van bovenstaande berekeningen blijkt dat de gevraagde overnameprijs veel te hoog is om deze binnen een termijn van vijf jaar terug te betalen. Gezien er steeds nieuwe opdrachten dienen te worden gezocht en de onderneming niet over een specifiek concurrentievoordeel beschikt, is een langere financieringstermijn in beginsel niet verantwoord.

Realitycheck

Belangrijk is dat u deze berekeningswijze gebruikt als een “realitycheck”: indien de financieringswaarde aanmerkelijk lager ligt dan de vraagprijs, dan moet u ófwel uw beste beentje voorzetten aan de onderhandelingstafel, ófwel de dealstructuur aanpassen (bijvoorbeeld via een earn-outformule, Vendor loan, gefaseerde betaling, of extra eigen middelen), ófwel kritisch herbekijken of de gebudgetteerde kasstromen wel correct (lees te laag) werden ingeschat.

Leg bij het inschatten van die toekomstige kasstromen de nodige voorzichtigheid aan de dag. Nog te vaak zien we in de praktijk te rooskleurige en dus onrealistische prognoses naar de toekomst opduiken en de motor na een 2 à 3-tal jaren begint te sputteren. Wees daarbij kritisch en bouw bij het opstellen van een gedetailleerd budget een aantal scenario’s in zoals: wat als marges dalen, wat als het werkkapitaal stijgt door een hogere dan voorziene groei, wat als (vervangings)investeringen hoger moeten worden ingeschat om competitief te blijven, …? Uiteraard zal veel afhangen van de concrete omstandigheden zoals de verkoper die al of niet nog een tijdje mee aan het roer blijft staan, langlopende overeenkomsten met klanten, het al of niet aanwezig zijn in een groeisector, de levenscyclus (opstartfase, groeifase, stabilisatiefase, neergang) waarin de onderneming zich bevindt, …

Indien u overweegt om een bedrijf over te nemen, is het dus zeker verstandig om de onderhandelde prijs steeds te toetsen aan de terugbetalingscapaciteit op basis van realistisch geraamde toekomstige vrije kasstromen. De vuistregel is daarbij dat de koopsom (na eigen inbreng en bij voorkeur rekening houdend met een bepaalde buffer) binnen een termijn van 5 à 7 jaar kan worden terugverdiend. Vergeet daarbij niet uit het oog dat het deel van de overnameprijs die niet terugbetaalbaar is uit toekomstige kasstromen, in de kern niet financierbaar is bij de bank, en dus zelden een lucratieve overname zal zijn.

Auteur: Bart Vermoesen (6 maart 2026)